Architectuur

De Dumontwijk is ontstaan op het einde van de 19de eeuw. Op dat moment waren er 2 onderscheiden tuinwijkgedachte en de cottage architectuur.

De tuinwijkgedachte is in Engeland ontstaan als reactie op de industrialisatie in het eerste deel van de 19de eeuw. Er werd gestreefd om Tuinwijken te bouwen voor fabrieksarbeiders bestaande uit één- of tweegezinswoningen die elk een apart tuintje hadden. (cf later de tuinwijken van de Limburgse steenkoolmijnen). Om de rust en de privacy te vrijwaren was er ook een duidelijke hiërarchie in het wegennet. Het natuurlijk reliëf van het terrein moest gerespecteerd en behouden worden. Van deze sociale ideeën is in de toepassing van de Tuinwijken aan de Belgische kust geen spoor meer te bekennen. De tuinwijkgedachte richtte zich hier eerder op de betere bevolkingslagen, namelijk op de kleine elite die de financiële middelen had om aan het ongezonde stadsleven te ontvluchten.
Ook de architectuur werd beïnvloed door Engelse voorbeelden.

De cottagestijl is ontstaan in de 19 de eeuw in Engeland als reactie op de Victoriaanse tijd, een periode waarin alle artistieke creaties, zoals architectuur en schilderkunst, slaafs de conservatieve en klassieke regels van de koninklijke academies van beeldende kunst en architectuur volgden. De cottagestijl druiste daartegen in omdat ze gebaseerd was op de kleine landhuizen op hun beurt afgeleid van oude boerderijtjes. (vb in Sussex). Een aantal details die ook vandaag nog worden toegepast in de architectuur, zoals rieten daken en erkers in het exterieur en open haarden wat het interieur betreft, werden voor het eerst toegepast in de cottage-architectuur en betekenden toen een revolutionaire breuk met de architectuurtraditie die in Engeland heerste. Het belang van streekeigen karakteristieken zijn niet enkel in de Engelse de cottage-architectuur van belang maar ook in onder meer België en Frankrijk waar er ook architecturale verschillen worden aangetroffen naargelang de regio. Zo hebben de Belgische cottages een dak in leien of dakpannen. Net zoals bij het concept van de Tuinwijken, vormt de aanwezige natuur een belangrijk onderdeel van de architectuur. De woning wordt bijgevolg aangepast aan het natuurlijk reliëf van de kavel. Dit gebeurt onder ander door middel van buiten-trappartijen die het niveauverschil overbruggen. De cottage is makkelijk te herkennen door de vele in- en uitsprongen in het volume. Voorportalen (open of halfopen), loggia’s, terrassen, erkers, torens, balkons, enz… zorgen ervoor dat er een ingewikkeld en onregelmatig volume ontstaat. Bijna elke muur heeft een eigen karakter want uniformiteit en ééntonigheid zijn allesbehalve kenmerkend voor de cottage-architectuur. De in- en uitsprongen hebben naast een esthetische waarde ook utilitaire waarde. Ze bevorderen namelijk de relatie tussen de woning en de omgeving. Door gebruik te maken van een insprong wordt de natuur als het ware naar binnen gehaald. Een uitsprong heeft het tegenovergestelde doel: de personen die zich in de woning bevinden, het gevoel geven dat ze midden in de tuin zijn. Tevens laten ze meer zonlicht binnen in de erkers. Meestal worden op de hoeken steunberen toegepast. Het onregelmatige spel van het volume is ook terug te vinden in het dak. De onderling gekoppelde, verschillende dakdelen vormen een complexe éénheid. Dit komt doordat elk onderdeel een andere richting, vorm, niveau of structuur kan hebben. Het veelvuldig gebruik van dakkapellen maakt het geheel nog chaotischer. Het vakwerk wordt in de cottage-architectuur geïntegreerd omwille van haar decoratieve waarde en reminiscentie aan het verleden van kleine landhuizen waar het vakwerk een constructieonderdeel was. Het vakwerk wordt in de cottages langs de Belgische kust geïmiteerd, er wordt bijna nooit echt vakwerk gebruikt. Het balkenpatroon is niet opgebouwd uit hout maar uit stucco, en maakt bijgevolg geen deel uit van de dragende elementen van de gevel. Er wordt een fijne, houten bekleding op het stuccoraster geplaatst zodat het idee ontstaat dat het om echt vakwerk gaat. Het residentieel gedeelte van de Dumontwijk is vrij gaaf bewaard gebleven. Er is wel een stijlevolutie merkbaar maar dit ging meestal niet gepaard met een moedwillige vernietiging/afbraak van de woningen die beantwoordden aan voorgaande stijltrends. Kenmerkend –maar zeer jammer!– zijn de veranderingen die na verloop van tijd uitgevoerd zijn aan de bewaard gebleven cottages, waardoor de woningen heel wat aan de typische kwaliteiten van de cottage-architectuur hebben ingeboet. De situatie is weliswaar niet zo buitensporig als in Knokke, waar het bouwreglement het “witten” van de woning voorschreef . Maar toch is het ingeburgerd om open insprongen en uitsprongen dicht te bouwen omdat ten eerste de weersomstandigheden aan de Belgische kust niet van dien aard zijn om veelvuldig van bijvoorbeeld een terras of loggia te genieten en ten tweede er een verlangen is naar grotere leefruimtes. Niet enkel terrassen, loggia’s en portieken maar ook erkers en dakkapellen moeten het vaak ontgelden, zij worden tijdens verbouwingen vaak weggewerkt. Regelmatig wordt het pseudo-vakwerk witgeschilderd en soms gaat men nog verder door de volledige woning wit te schilderen.Veel verbetering zou kunnen gebeuren door terug vensterluiken aan te brengen. In de thesis van Femke Gherardts wordt ide 'cottage' stijl nog verder verdeeld in de 'alleenstaande cottages' en de 'urbane cottage' , waarbij de aaneengebouwde woningen bedoeld worden. (klik nevenstaand plan open) De eerste toeristen brachten voor de streek een nieuwigheid met zich mee: in plaats van in een duinpanne beschutting te zoeken tegen weer en wind (zoals de oorspronkelijke vissersbevolking deed door hun huizen in een panne te bouwen), ontstond een drang naar een zo wijds mogelijk uitzicht waardoor enkelen het aangedurfd hebben om een woning te bouwen op een duintop. Vandaar de 5 villa's op de duinen.

Na 1920 was het hoogtepunt van de “cottage-architectuur” echter voorbij door de opkomst van het modernisme ook in de villanouw. Het modernistische ideeëngoed had dezelfde betrachtingen als de Engelse tuinwijkgedachte namelijk een oplossing bieden voor het woningtekort als gevolg van respectievelijk de eerste Wereldoorlog en de Industriële revolutie. De aanwezige oppervlakte moest beter benut worden en dat werd gerealiseerd door de bouw van halfopen en gesloten bebouwing en de opmars van meergezinswoningen. Kenmerkend voor deze modernistische stijl zijn de platte daken, de sterk afgeronde hoeken, de doorlopende raampartijen, het gebruik van beton voor constructief belangrijke en decoratieve onderdelen en het nastreven van een "modern" effect door het gebruik van sierlijke tegels, siergevelstenen en cimorné (granito ). Deze stijl werd vanuit het binnenlnd overgenomen door de plaatselijke architecten: Oscar Vermeesch en vooral Louis Legien. Van hem staan er ook een paar gebouwen in de "bootarchitectuur". De toren verwijst naar de schoorsteen van de, door stoom aangedreven, pakketboten. De trap symboliseert de loopbrug die de boot met de aanlegsteiger verbindt. De ronde ramen verwijzen naar de patrijspoorten. De balkons worden afgeschermd door balustrades die herinneren aan de relingen van de pakketboot. Er is ook altijd een constructie aanwezig voor een vlaggemast boven het dak.

gggg