Hendrik Conscience en De Panne
(Door Bert Bijnens - Duinengalm)
"..Gedurende de zomer van her jaar 1859, kwam de toen reeds beroemde schrijver te De Panne aan. Van uit Antwerpen, was het een hele reis. Veurne, Diksmuide, Nieuwpoort, lagen toen nog afgezonderd van het binnenland: de spoorweg verbond enkel Gent met Oostende. Conscience nam zijn intrek in een herberg bij het strand, waar de Veurnse burgerij, bij mooie zomerdagen kwam uitspannen. In dit “estaminet» informeerde de schrijver naar een zekere Smagghe, visser van beroep, die hij in 1830 als vrijwilliger in de kazerne van Dendermonde had ontmoet; de vele door de visser vertelde anekdoten en bijzonderheden over het vissersleven waren hem bijgebleven.
Met een weloverwogen plan, een boek over de bevolking van de kust te schrijven, was Conscience naar de Westhoek afgereisd. Zodoende zocht hij, eenmaal te De aangekomen, terug contact met zijn oude vriend en wapenbroeder, die echter op dat ogenblik op zee verbleef. Toen deze na een paar dagen aan wal stapte volgde een hartelijke begroeting. Achteraf zwierf Smagghe, vergezeld door de schrijver, een paar weken door her duin en langsheen het strand, zodat Conscience zich de speciale atmosfeer kon eigen maken en zijn documentatie aanvullen.
Geruime tijd later kwam de schrijver terug naar het vissersdorp, ditmaal vergezeld door de kunstenaar Dujardin. Toen het boek "Bella Stock" verscheen, herkende men in de tekeningen, menig Pannenaar die trots had geposeerd; Stock geleek sprekend op vader Smagghe en Bella was de weergave van Bella Smagghe.
In het boek wordt de romantische geschiedenis verteld van een jonge franse edelman de Milval uit St Winoksbergen, die het schrikbewind was ontvlucht en tot tweemaal toe door een vissersmeisje uit De Panne van de dood werd gered; in hoever dit gebeuren met de waarheid strookt, laten wij hier in het midden.
Na de eerste wereldoorlog verklaarde de gepensioneerde Belgische loods Smagghe te Vlissingen o. m.:
«Ik herinner mij nog heel goed, dat men vader kwam roepen daar een heer in de herberg naar hem vroeg. Ik was toen een knaap van een jaar of tien en mocht met vader mee naar het logement. Deze heer was H. Conscience, hij wilde de streek en de gewoonten der vissers bestuderen en vroeg aan vader met hem overal te willen meegaan. Vader bleef opzettelijk enige tijd aan wal. want hij was zelf ook visser. Later kwam de schrijver nog eens terug, vergezeld door de tekenaar Dujardin».
Conscience getuigde over «Bella Stock»: «Om dit werk te schrijven, heeft uw dienaar meermalen het Adinkerkse strand bezocht en de eenvoudige zeden der vissers doorgrond, hunne gewoonten nagespeurd, met hen verkeerd en gegeten, is hij met hen in zee geweest nacht en dag, en heeft hij dus geen moeite gespaard om de natuur en de mensen der Vlaamse zeekust te leren kennen ... )
Het duinenlandschap welke de schrijver bezocht is nog steeds ongerept gebleven. Zoals Conscience een eeuw geleden, ondergaan de verlofgangers op de huidige dag nog dezelfde indrukken:
“Er is iets ontzettends in het schouwspel dat zich daar voor de wandelaar ontplooit, wanneer hij te midden dezer zonderlinge natuur, een hoogte beklimt en zijn verbaasde blik in het rond laat dwalen. Duizenden en duizenden zandheuvelen, van verschillende vorm en grootte, verheften hun kruinen langs alle zijden en omringen hem, zoverre zijn gezicht kan reiken. Enige zijn door schaarse halmen of donker mos begroeid, andere zijn naakt en glinsteren onder het zonlicht; vele zijn door de wind uitgevreten en neigen ten val; sommige verlengen zich als een ketengebergte en slingeren hun ruige rug dwars over alle hoogten heen, om eindelijk in een diep dal weg te zinken en te verdwijnen.
In het eerst ontwaart de aanschouwer hier niets dan een akelige verwarring, een wilde omwoeling des bodems: en hij voelt zich geneigd om te geloven, dat dit treurige oord slechts het overblijfsel is ener schromelijke aardbeving, welke eertijds de aarde ter dezer plaatse moet hebben ontsteld. Maar welhaast, toegevende aan een begoocheling van gezicht en zinnen, meent hij în duizenden heuvelen de baren eller onstuimige zee te zien, welke door de wil Gods met beweegloosheid zijn geslagen geworden en dus, sedert eeuwen het onveranderlijk beeld van de woedende oceaan vertonen).
Terwijl het duinenlandschap ongeschonden bleef, groeide her dorpje uit 1859 tot een mooie badstad; het oeroude beeld werd echter verminkt.
Eertijds schreef M. De Wulf:
«Op de groen begroeide lage duinen staan de kleine witgekalkte, bruingepande en groenbeluikte «Duineweunsten». 't Zijn nette, propere huisjes met een over 't dak rankenden wijngaard of een reekje verneepte vlierbomen aan de zeekant. Tegen het huisje staat een stalletje geplakt. 't Zijn meestal garnaalvissers die hier wonen. Enige gaan te voet, andere op een muilezel, er zijn er zelfs te paarde. Rond de huisjes ontginnen ze een klein brokje grond en kweken er vroege patatje's. Het moet er toch zo aangenaam zijn om te wonen, zo jaar-in, jaar-uit met volle teugen die gezonde zware zeelucht in te zwelgen, dat neus en kaken er van bleuzen .. )
BERT BIJNENS
|