Geschiedenis van de duinen van De Panne

 

De opbouw van de kustvlakte (inbegrepen de gehele IJzervallei en de regio vóór Brugge) is het resultaat van 10.000 jaar lange geschiedenis waarbij in de vroege middeleeuwen de mens een belangrijke rol heeft gespeeld. De studies van Cecile Baeteman van de Belgische Geologische Dienst hebben aangetoond dat de geschiedenis van het ontstaan van de kustvlakte niet mag gezien worden als een reeks verschillende, goed herkenbare en van elkaar gescheiden overstromingen, maar als het resultaat van een continue opvulling gedirigeerd door de continue stijging van de zeespiegel. (in 1948 heeft Tavernier de nu voorbijgestreefde theorie uitgewerkt in verband met de drievoudige Duinkerkentransgressies)

10.000 jaar geleden, op het einde van de laatste IJstijd stonden we hier 20 à 25m lager op een toendra-achtig golvend landschap met weinig begroeiing en onderhevig aan zandstormen. Hierdoor was de oeroude bodem (Ieperiaanse klei) meestal bedekt door een vijftal meter opgewaaid zand (dekzand). Als gevolg van klimaatverwarming ging het landijs afsmelten. In de eerste periode na 10.000 geleden steeg de zeespiegel vrij snel (60 à 80 cm /100 jaar; nu slechts 7 cm / 100j). Het waterpeil van de Noordzee steeg zodanig dat Engeland een eiland werd en de Noordzee ongeveer 7000 jaar geleden onze streek bereikte (weliswaar ruim 20 m lager, ongeveer in de monding van de toenmalige IJzervallei). Door het dagelijks spel van eb en vloed evenals de grote aanvoer van zeezand door de toegenomen stroming vanuit het kanaal, ontstonden zandbanken die boven water uitkwamen en waarachter zand en slib (klei) afgezet werden in het achtergelegen landschap (WADGEBIED of SLIKKE en SHORREGEBIED genoemd). Er was geen rust genoeg om verder te evolueren naar weelderige begroeiing. Rond het einde van deze periode was de volledige kustvlakte opgevuld zelfs meer zeewaarts dan de huidige kustlijn. Boven de afzettingen van de IJstijd is een kleine turflaag t.g.v. de zoetwaterveenmoerassen opgestuwd door het voortstijgend zeepeil (= basisveenlaag) en daarboven dikke lagen zand/klei. (afzetting van Calais genoemd. Men heeft zeer nauwkeurig de kurve kunnen opstellen van deze zeewaterstijging door C14 dateringen op het organisch materiaal van de basisturflaag. Een vertraging van de stijging van de zeewaterspiegel treedt op rond circa 5.500 – 5.000 jaar geleden (dan slechts 7 cm /100 j tot heden). Er waren nog steeds hoeveelheden sediment beschibaar in de Noordzee t.g.v. de brutale overstromingen van de deposities van de grote rivieren na de laatste ijstijd, Zandbanken voor de kust konden zich ontwikkelen tot een zandige kustbarrière met vlakke duintjes. Dit sloot de kustlijn grotendeels af van de rechtstreekse invloed van de zee, met uitzondering van enkele riviermonden. Achter die kustbarrière kon zich massaal plantengroei ontwikkelen op een moerassige kustvlakte met zoetwater uit het binnenland. Resultaat was een ongestoord groeien van de veeneilanden zodat omstreeks 4.500 jaar geleden quasi de volledige vlakte bedekt was met KUSTVEENMOERAS op uitzondering van kleine stukken bij de opengebleven zeegaten. De aanwezigheid van dergelijk uitgestrekt veengebied veronderstelt het aanwezig zijn van een min of meer gesloten kustlijn met zeewerende barrière. Deze oude duinen waren breed en strekten zich uit van waar De Panne dorp nu ligt tot wellicht 2 à 3 km meer zeewaarts. Men spreekt van de “Oude zeewerende Duinen van De Panne” De “Cabourgduinen” zouden veel jonger gevormd zijn ten noorden van de diepe zeeinham van de Moerenbinnenzee vanuit Duinkerken. Deze duinen waren begroeid met jeneverbesstruiken evoluerend naar “eikenbos”vegetatie. (eigenaardig genoeg geen duindoorn). Wellicht waren op de hoger gelegen binnenduinrand, tussen De Panne en Zuydcoote, reeds permanente of semipermanente nederzettingen van veetelers (schapen en ganzen) die zich in de zomerperioden met zoutwinning bezig hielden. De duinen kunnen immers als springplank fungeren naar het achterland waar ook reeds zeer vroeg veenontginning gebeurd is.

Vanaf 2500 tot 1500 jaar geleden trad een ander fenomeen op. Het sedimentaanbod van de Noordzee is geleidelijk aan verminderd zodat de zeewerende barrière gedeeltelijk afgekalfd worden. Ook zou verwarming van het klimaat aanleiding gegeven hebben tot meer stormen. Door meer blootstelling van het achterland via grotere en nieuwe getijdegeulen (en nog weliswaar zeer kleine zeespiegelstijging) dringt de zee door in het veenlandschap van de kustvlakte. Via deze nieuwe geulen treedt er ontwatering van de turflagen op in de nabijheid van de geulen. Resultaat “inklinking” van de zeer waterrijke veenlagen wat leidt tot aanzienlijke daling van het oppervlak en terug vorming van een groot getijdenlandschap met slikken en schorren. Deze inklinking kan in relatief korte tijdspanne gebeuren. Rond 500 jaar na Christus was de volledige de kustvlakte terug een getijdenlandschap. Dit gebeurde niet overal tezelfdertijd en zeker niet t.g.v. echte overstromingen door stijging van het zeeniveau zoals verkeerdelijk verondersteld werd in de oude theorie van de Duinkerken transgressie.

Door het sedimentgebrek en stormen bleef de kustlijn terugschrijden en werden grote stukken zeewaarts gelegen gebieden van de brede duinengordel afgekalfd. Dit verschijnsel duurt immers vandaag nog steeds voort. Tijdens de Keltische periode was zout was een belangrijk ruilmiddel, zodat de Menapische bewoning van veehouders-zoutzieders continu bleef doorlopen met de komst van de Julius Caesar in 51 voor Christus, niettegenstaande het achterland onbewoonbaar geworden was. Het moeilijke landschap en de grote mobiliteit van de Menapiërs, met een leger van 9.000 krijgers, deed Julius Ceasar van een directe verovering afzien. Zo zijn onze dappere voorouders – in tegenstelling tot de andere stammen – gespaard gebleven van deportatie, slavernij of afslachting. Het Castellum Menapiorum (Kassel) werd de hoofdplaats. De Romeinse belangstelling voor onze streek was hoofdzakelijk militair: nl. verdediging tegen invasie van de Germanen en de Britten. De vondsten in het Westhoekreservaat (juist vòòr de Franse grens) wijzen op een bewoning op de strandwal (“De Oude Duinen van De Panne”). Vooral na de invallen van de Germanen in 172 nà Chr via de Noordzeekust werd het Romeinse militaire apparaat opnieuw in staat van paraatheid gebracht. Ook zal in deze periode de veeteelt (runderen) - naast strand- en kustvisserij- een belangrijk aandeel gehad hebben in de economische bedrijvigheid van de streek. De vermoedelijke resten van het “Romeinse Kamp” liggen meer zeewaarts en zijn door de kusterosie voorgoed verdwenen. In 269 na Chr., na de dood op de opperbevelhebber van het Rijnleger, Postumus, stortte de kustverdediging in elkaar en nam de Gallo-Romeinse bevolking massaal de vlucht voor de invallen van de Kust-Franken. De ontreddering was des te groter toen mede tengevolge het gebrek aan onderhoudswerken aan de dijken en waterlopen alsmede de afkalving van de duinengordel, de zee opnieuw bezit nam van de uitgestrekte kustvlakte. De militaire reorganisatie vanuit Rome kwam vlug terug op gang en maar in 407 dienen de Romeinen onder druk van de Overrijnse volkeren (de Franken) onze streek definitief te ontruimen. De strategisch belangrijke grens van de Noordzeekust werd toen volledig opgegeven.

Na de erosiefase komt een nieuwe accumulatiefase met afzettingen van zand en klei. De evolutie van slikken naar schorren en verder naar een zoutwater vegetatie ging door tot circa 800 na Christus of nog langer. Immers de inklinking door droging van de veenlaag (tot 50%) moest terug aangevuld worden door nieuwe slibafzetting. Uiteindelijk ontstonden geleidelijk tussen De Cabourgduinen en De Panne zoutweiden met schapen (overspoeling beperkt tot enkele malen per jaar bij extreem hoge getijden). Hier is duidelijk te zien dat de IJzer van de Fintele naar ten Oosten van het huidige Veurne naar de zee stoomde tussen Oostduinkerke en Nieuwpoortbad. (Avekappellegeul genoemd). In de Romeinse tijd was te Sint Idesbald een tweede doorbraak van de duingordel met een geul naar het huidige Bulskamp (Bulskampgeul genoemd).

Tussen de 5e en de 8e eeuw is de stormfrequentie toegenomen. De kustlijn bleef nog verder terugschrijden. Vooral ter hoogte van Nieuwpoort werd de duinwering tussen De Panne en Nieuwpoort geleidelijk volledig weggespoeld zodat de verschorring daar vrij langzaam ging. Ook de strandafzettingen vóór de “Oude Duinen van De Panne” zijn in die periode in de zee verdwenen. Dan zijn ook het gedeelte van de duinen ter hoogte van de Houtsaegerduinen weggespoeld en terug omgezet tot slikken. Alleen in de noordwestelijke hoek zijn nog opgravingen in de “De Oude Duinen van De Panne” terug te vinden. Later is een nieuwe duingebied ontstaan, in de vorm van een loopduin, tussen de Oostduinkerke dorp en Nieuwpoort dorp. Hierdoor verzandde de Avekapellegeul en verlegde de IJzer zich naar het huidige tracé. Nieuwpoort bad was dus zee. Alleen in De Panne bleven “De Oude Duinen van De Panne” standhouden. Door de gunstige ligging aan de Ijzermonding worden de “Oude Duinen van De Panne” geleidelijk terug in het Westeuropese handelsverkeer ingeschakeld. De handelsnederzetting “Iserae Portus” kwam vanaf de 7de eeuw in volle bloei op de duinreepstrook van 2 op 1 km diep in het Westhoekreservaat tot op Frans grondgebied. In 860 werd het door een inval van de Noormannen vernield. Mogelijk bewerkstelligde dit de ontwikkeling van “Furna” (nu Veurne) die de in de achtergelegen schorren de handelsactiviteiten van “Iserae Portus” overnam. Na de invallen van de Noormannen werden de duinen graaflijk bezit. De Vlaamse graaf Boudewijn II (879-918) gaf Veurne de opdracht een ronde vluchtburcht op te richten ter verdediging tegen de invallen van de Noormannen in onze contreien. Ook ingevolge de natuurlijke rijkdommen van de droogvallende kustvlakte werd geleidelijk geheel onze streek door de Vlaamse graven geüsurpeerd en in beheer genomen. De schapenweiden leverden van toen af de primaire grondstof voor de stilaan ontluikende lakenindustrie van Vlaanderen. De graaf bezat ook in de duinen een jacht- en weiderecht en stelde er een duinpolitie aan.

Rond de 9de/10de eeuw is er hier een verjonging van de duinen opgetreden. Door de verhoogde kusterosie was er kustafslag. De ontstane “blow-outs” gaven aanleiding tot verstuiving landinwaarts in de richting van de overheersende sterke windrichting. Dus geen “primaire duinvorming” zeewaarts. Immers alleen de huidige zeereep bevindt zich boven het “oude strand”. In de zandbanken vinden we geen oude strandresten terug. Van op het droge strand zijn omvangrijke zandmassa’s landinwaarts gewaaid en gaven aanleiding tot bewegende “loopduin” reeksen. Waar de vrije loopduinenreeksen voorbijtrokken ontstond een min of meer vlak tot golvend nieuw duingebied van 6 tot 7 meter hoog. Zo werden ongeveer 500 à 800 m polders definitief bedolven bij het begin van de 13de eeuw. Plantengroei stabiliseerde dit oppervlak meer en meer. (met successie naar duindoornstruweel). Ingevolge de stijging van de grondwatertafel ten gevolge de sterke verbreding van de duinengordel werd het stabiliserend effect van de plantengroei versterkt. Derhalve ontstonden paraboolduinen in het zog van de loopduinen. Deze bewegen zich veel langzamer voort (tot één vijfde trager) dan het kale loopduinfront dat ze voorafging. Pas aan het einde van de 14 e of het begin van de 14 e eeuw zijn de paraboolkernen gewaaid tot aan de polderland. Onderweg werd de aanwezige plantengroei bedolven en werd zelf nog een stukje polder verder overdekt. Het zuidelijk gedeelte van deze uitbreidende duinen werd door de mensen beplant om verstuiving van de nieuwe polders te beletten.

In het achterland werd in de zoutweiden geleidelijk permanente bewoning mogelijk mits ophoging. Dit werd vooral versneld t.g.v. de explosieve demografische groei vanaf de 11de eeuw. Om reden van het nog sporadisch overspoelen werden in de 11e eeuw een eerste polderdijk aangelegd ter hoogte van Oostduinkerke dorp aansluitend op de nieuwe duin en tot de Fintele, om te beletten dat het water via de IJzer in onze weiden terechtkwam. (dus geen zeewerende dijk zoals verkeerdelijk “Oude Zeedijk” genoemd - zIE KAARTJE). Door aanleg van de dijken moesten ook ontwateringsloten aangelegd worden om het bovenste pakket sedimenten te ontwateren. Ook de “verse” wadklei is zeer waterrijk en ontwatering leidt ook tot inklinking met niveauverlaging tot gevolg. Anderzijds ging de afzetting van sedimenten door in de niet ingedijkte gebieden, zodat een groot hoogteverschil ontstond tussen niet ingedijkte en poldergebieden. (buitendijkse gebieden hoger dan degene achter deze dijk “Oudland” genoemd. Ook t.g.v. verkleinen van het overstroombaar gebied waren beide de oorzaak van enkele catastrofale overstromingen zoals vermeld in de kloosterannalen. Dus niet zozeer de zee maar de mens was de hoofdoorzaak van die overstromingen. Deze overstromingen waren tijdelijk en gaven nagenoeg geen afzetting van nieuwe sedimenten. Na deze overstromingen werden de schorren van het IJzerestuarium geleidelijk ingepolderd en in de 14 e eeuw was de indijking een voldongen feit.

Ten gevolge nieuwe overstuivingen van de tweede loopduinfase verminderde de economische waarde van het duingebied voor de graaf. Vanaf de 2de helft van de 13de eeuw ging de graaf van directe uitbating van de duinen als veeweide over tot cijnsverpachting en schenkingen naar abdijen en kloosters. (o.a. Benedictijner Duinenabdij). “Duneherders” hielden politietoezicht i.v.m. het jachtmonopolie van de graaf. Het nieuwe duinengebied na de loopduinfase vertoonde een lage vegetatie die uitermate geschikt was voor veeteelt, hooiweide maar in mindere mate voor landbouw zoals rogge. Dit gaf aanleiding tot oprichting van nieuwe vestigingen van veetelers (koeien) in de duinen die zich ook met akkerbouw en strandvisserij bezig hielden. De nieuwe visserij was succesvol en nieuwe bewaartechnieken met zout werden geëxperimenteerd, zodat de massale haringvangsten konden verkocht worden. Het zout werd gewonnen in de moeren door verbranding van zoute turf. Deze techniek en de grote expansie van de bloeiende lakenindustie in Ieper waren de redenen dat de turfontginning van de buitenmoeren zo’n vlucht nam. De graaf gaf aan meerdere kloosterordes hiervoor een concessie. De vissers leefden eerst in verspreide losse nederzettingen maar vanaf de 12de eeuw kwam men tot weldoordachte inplantingen van nederzettingen van veehouders. (Koksijdedorp; Oostdunkerckedorp: 1135; lakenhaven Nieuwpoort 1163 (in vervanging van de haven van Dik;Nieuwpoortdorp:1171; Simonskapelle: 1216; ondergestoven nederzetting de Panne-Westhoek; ontvolkte Groenendijk).

Vooral tijdens de godsdienstoorlogen (1562-1583) en de oorlogen van Lodewijk de XIV (1646-1713) was er een sterke exploitatie van de duinengebieden door de arme lokale bevolking. Ten gevolge van overexploitatie door overbegrazing van schapen en vee evenals een veel te groot konijnenbestand en het verzamelen van brandhout, kwam de duinenbeweging terug op gang op zekere plaatsen (Duinhoek (einde 16de eeuw); Abdij Ter Duinen (einde 16de begin 17de eeuw); Zuydcote (einde 18de eeuw)). Pas vanaf het midden van de 18de eeuw kreeg men, dank zij de nieuwe beschermingsmaatregelen van de Oostenrijkse overheid, de toestand grotendeels onder controle.

In de periode 1771-1777 is de eerste militaire stafkaart gemaakt van de streek door de Oostenrijkse Nederlanden (Ferraris). Nergens zijn woningen in de duinen van De Panne opgetekend. In de 2de helft van de 18de eeuw is de bevolking in heel Europa sterk aan het stijgen, zodat voedseltekort ontstaat. Vandaar dat onder impuls van het werkbezoek van keizer-koster Josef II (van de Oostenrijkse Nederlanden) in 1781 te Veurne, werd besloten het vissersdorp Kerckepanne (huidige Veurnestraat) op te richten en 7 boten aan te schaffen.